woensdag 15 januari 2014

Utrecht

Het gedicht 'Utrecht' van Theo van Baaren stond in nummer 4 van de eerste jaargang De Schone Zakdoek:

Utrecht

De grachten kruipen door de dode stad
als even vele volgevreten slangen
en de barok verzakte huizen hangen
moe op elkaar, de kelders altijd nat

van grondrig water, bruin en slijmig, dat
de smaak heeft van bedorven minverlangen
onder de straten lopen lage gangen,
het zwart domein van basilisk en rat.

Want hield een draak niet deze stad in stand
in 't ban-net van zijn ogen ingesloten
(bestaat ze soms alleen nog in zijn blik?)

dan was Utrecht allang slechts puin en zand
waar ieders fundament op graven stoot en
schedels slingren in het singelslik.

Oktober 1941- Nederlandse en Duitse fascisten op weg naar het N.V.-huis (Oudegracht 245)


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen